De Surinaamse toverdokter die Jezus leert kennen

Bijna elke morgen komt hij naar ons toe gewandeld. Alampia, inmiddels een van de oudste mannen van het dorp en misschien wel van de hele stam. Niemand weet precies hoe oud hij is. Hijzelf ook niet. Ooit is de medische zending de mensen gaan registreren. Toen moest je opgeven wanneer je was geboren. Niemand wist dat precies. “Leefde je al toen die of die er was? Heb je dat destijds ook meegemaakt? Heb je die persoon gekend?” Aan de hand van dat soort vragen werd ingeschat hoe oud je dan zou zijn. Velen kregen als geboortedatum 1-1-19…

Alampia zou aan de hand van die ‘berekening’ nu ergens in de negentig kunnen zijn. Niemand kan het zeggen. Dat hij erg oud is zie je aan zijn hele postuur. Hij is inmiddels flink gekrompen. Zijn ogen laten hem steeds meer in de steek. Wanneer je foto’s ziet van ergens in de jaren ‘60 dan lijkt hij in niets meer op de stoere sterke man die je dan ziet staan.

Destijds was Alampia de sterkste toverdokter aan deze kant van het binnenland. Gevierd en gevreesd vanwege de krachten die hij bezat en waarmee hij werkte. Zijn vader was al toverdokter geweest en zoals dat ging kreeg hij diezelfde gaven en taak in de stam van hem overgedragen.

Van heinde en ver kwamen de mensen naar hem toe om wijze raad en voor genezing. De tovenaar was de schakel tussen de zichtbare- en de onzichtbare wereld. De geestenwereld speelde een belangrijke rol in het bestaan van de mensen. Ze leefden in en met de natuur. Wanneer je ziek werd of gewond raakte stond je gelijk heel dicht bij de dood. Niemand wil dood. Dus zoek je hulp. De toverdokter had contact met de geestenwereld. Hij wist raad. En, hij kende medicijnen. Hij maakte die vanuit zijn kennis die hij weer van de geesten had gekregen, uit natuurlijke middelen uit het bos. Hij was dus een belangrijke factor in het dagelijkse leven.

Toen de zendelingen kwamen brachten zij een boodschap die alle aandacht kreeg. Dat er een God was die van de mensen hield. Zo zelfs dat Die Zijn eigen Zoon had gestuurd om zich over de mensen te ontfermen, zelfs te sterven voor hun zonden. Toen dat bekend werd gaven de leiders aan dat ze wel eens hadden gehoord van de goede geest die om de mensen gaf, maar dat die uit hun midden weg was gegaan en dat ze nu alleen de kwade geesten kenden. “Wanneer jullie ons kunnen vertellen van de goede geest zijn jullie welkom in onze stam. Daar willen we meer over horen!”

Alampia vertelt dat zo eind jaren ’50, de eerste zendelingen in de stam waren uitgenodigd. Toen werd alles anders. “Ze kwamen vertellen over Jezus. En ze wilden de taal van ons volk leren. Ze gingen zelfs met ons aan de slag om de taal in letters op papier te zetten. We kenden geen schrift. Maar toen is dat er van gekomen. Er kwam een schooltje waar de mensen konden leren lezen en schrijven. Stap voor stap werden de boeken van de Bijbel in onze taal vertaald. De mensen hebben daar flink bij moeten helpen want de zendelingen moesten ook onze taal nog leren.

En toch, was al dat goede werk nog niet echt van de mensen zelf. Na een aantal jaren merkte de zendingswerker aan de Lawa dat Alampia eigenlijk nog steeds niet echt helemaal overtuigd was geweest.

Alampia was op bezoek gegaan in Apetina. Daar woonde ook een groot deel van de stam. Ook twee van zijn zonen. Eén van hen was daar de toverdokter. Terwijl hij daar was gebeurde er iets in zijn hart waardoor hij tot de volle overtuiging kwam dat de Bijbel inderdaad de goede boodschap van de levende God was. Wat er precies gebeurd is weten we niet meer. Wat we wel weten was hoe hij daarna met deze overtuiging om is gegaan.

Het eerste was dat hij via de radioverbinding contact maakte met de zendeling op Lawa. Hij vroeg hem om de een na de andere persoon in het dorp bij de radio te laten komen. “Heb je die of die gevraagd? Is hij aanwezig? Ga dan die ander ook halen.” Hij noemde een hele lijst met namen van leiders die bij de radio moesten komen om zijn boodschap te kunnen horen. Toen uiteindelijk iedereen er was kon hij vertellen wat er dan zo belangrijk was dat zo’n grote groep dat allemaal moest komen beluisteren. Hij nam het woord en zei: “Het is waar…, het is waar…, het is waar! Ik ben klaar.”De zendeling begreep in eerste instantie niet wat hij nu wilde zeggen. De mensen die bij de radio geroepen waren begrepen het heel erg goed.

Alampia gaf door dat hij had ingezien dat Gods Woord de waarheid was. Hij was de geestelijke leider van de stam en hij boog zich voor de waarheid van Gods Woord. Dat werd de grote ommekeer in de levens van de mensen.

Van een andere zendeling die later in de tijd op het dorp verscheen hoorden we dat er destijds veel indiaanse feesten werden gehouden waarbij de nodige drank genuttigd werd. Dan gingen de mensen met hun kano’s de rivier op en waren ze de hele dag aan het dansen en drinken. Die drank bevatte een beetje alcohol. Maar aangezien het met steelpannetjes tegelijk gedronken werd werden mensen er al snel dronken van. En dan gebeurden er allerlei moeilijke dingen. Overspel, ruzie en zelfmoord kwamen dan veelvuldig voor. Allemaal dingen die binnen de cultuur gemeengoed waren terwijl de mensen ook de moeiten daarvan ondervonden.

Toen de zendeling pas in het dorp was komen wonen viel het hem op dat één van de mannen elke morgen naar de hut ging die voor de samenkomsten van de kerk was gebouwd. Hij bleef er dan een klein half uur en kwam weer naar buiten. Na een paar dagen was hij zo nieuwsgierig geworden dat hij eens een kijkje ging nemen. Hij vond Alampia dan op zijn knieën in de kerk en begreep naderhand (toen hij de taal wat beter had geleerd) dat deze man elke dag voor zijn volk kwam bidden. Dat God hen ook deze dag zou beschermen tegen het kwaad. Wanneer er weer eens een feest gehouden werd en vrijwel iedereen er naar toe was gegaan, ging Alampia samen met zijn vrouw naar de kerk en baden zij voor bescherming van hun mensen.

Ook op zondag was Alampia een sterke spreker in de kerk. Hij riep de mensen op om God te dienen en hun leven in orde te maken. Als toverdokter was hij de verbindende schakel tussen zijn volk en de geestenwereld. Nu hij Christus had leren kennen had hij de geesten die in hem huisden waar wel gezegd. Hij werd nu een priester voor zijn volk om hen met Christus te verbinden.

Vaak wanneer hij ‘s morgens (soms heel vroeg) over de air strip naar ons toe komt lopen, dan stap voor stap de houten trap beklimt en met zijn stok aanklopt “Goede morgen samen!”, moeten we hier aan denken. Hij komt naar ons toe voor een kopje koffie en twee broodjes met chocolade pasta of pindakaas. Daarna lezen we een stukje uit de Bijbel. Sinds zijn ogen slecht geworden zijn kan hij zelf niet meer lezen. Hij geniet ervan om te luisteren naar het Woord dat hem zo vertrouwd geworden is. Daarna bidt hij met ons. Hij dankt onze hemelse Vader voor de nieuwe dag en vraagt Zijn zegen over ons leven. We weten ons bevoorrecht dat we Alampia hebben leren kennen.

Marco en Marjolein Schuurmans werken sinds 2012 onder de Wajana indianen in het binnenland van Suriname. Ze zijn uitgezonden via CAMA Zending. Voor meer informatie kunt u de website van Marco en Marjolein bezoeken.

2018-01-13T01:53:53+00:00